Elektromotoren
Elektromotoren & IE-klassen
Een elektromotor kies je op vermogen, toerental en bouwvorm. Daarnaast bepaalt de IE-rendementsklasse hoe energiezuinig de motor draait. Hier leggen we de bouwvormen B3, B5 en B14 uit, het verschil tussen IE3 en IE4, en hoe je het juiste vermogen bepaalt.
Opbouw van een elektromotor
De ISG LWA- en LW-series bestaan uit driefasige asynchrone kooiankermotoren. LWA is de aluminium uitvoering met een vermogensbereik van circa 0,06 kW tot 37 kW; LW is de gietijzeren uitvoering met een vermogensbereik van circa 0,55 kW tot 630 kW.
Een motor wordt gekenmerkt door een handvol kerngegevens: het nominaal vermogen (kW), het toerental (min⁻¹, bepaald door het aantal polen), de framemaat (de fysieke bouwgrootte), de bouwvorm (hoe de motor wordt bevestigd) en de IE-rendementsklasse.
Standaard uitvoering
De ISG LWA- en LW-motoren zijn volgens de catalogus uitgevoerd met isolatieklasse F, beschermingsgraad IP55, PTC 150 °C en een volledig gesloten, geventileerde behuizing (TEFC, IC411). De aansluitdoos zit bovenop. Let op: de kleur verschilt per serie; LWA-aluminium staat vermeld als RAL 7024 en LW-gietijzer als RAL 7031.
Bouwvormen: B3, B5 & B14
De bouwvorm bepaalt hoe de motor in de machine wordt gemonteerd. Veelvoorkomende IEC-bouwvormen zijn:
- B3 — voetbevestiging: de motor staat op zijn voeten en wordt op een frame of bodemplaat geschroefd.
- B5 — grote flens: bevestiging via een grote ronde flens aan de aandrijfzijde, vaak gebruikt bij directe montage tegen een tandwielkast of machine.
- B14 — kleine flens: bevestiging via een kleinere flens met tapgaten. Dit is geen voetflens; een uitvoering met voet en kleine flens wordt doorgaans als B34 aangeduid.
De ISG LWA-motoren zijn multi-mount uitgevoerd met afneembare voeten. Hierdoor kan dezelfde motor in verschillende montageposities worden gebruikt en kan de positie van de klemmenkast worden aangepast. De beschikbare bouwvorm en flensmaat verschillen per framemaat en uitvoering; controleer daarom altijd de afmetingentabellen en de gekozen uitvoering.
Polen & toerental
Het toerental van een asynchrone motor wordt bepaald door het aantal polen en de netfrequentie (50 Hz). Meer polen betekent een lager toerental. Bij normaal motorbedrijf ligt het nominale toerental doorgaans iets onder het synchrone toerental, door de zogenoemde slip.
| Polen | Synchroon toerental | Nominaal (≈) | Toepassing |
|---|---|---|---|
| 2-polig | 3.000 min⁻¹ | ± 2.850–2.980 | Pompen, ventilatoren, hoog toerental |
| 4-polig | 1.500 min⁻¹ | ± 1.400–1.490 | Breed inzetbaar in veel industriële toepassingen |
| 6-polig | 1.000 min⁻¹ | ± 920–990 | Lager toerental, hoger koppel |
Het koppel hangt samen met vermogen en toerental: bij gelijk vermogen levert een 6-polige motor (lager toerental) een hoger nominaal koppel dan een 2-polige.
IE-rendementsklassen
De IE-klasse (International Efficiency, voor lijngevoede AC-motoren vastgelegd in IEC 60034-30-1) geeft aan hoe energiezuinig een motor is. Een hoger IE-getal betekent in principe een hoger rendement bij dezelfde motorcategorie en vergelijkbare bedrijfspunten. ISG levert motoren in IE3 (Premium) en IE4 (Super Premium).
- IE3 – Premium Efficiency: veel toegepaste rendementsklasse voor industriële elektromotoren; afhankelijk van vermogen, polental en toepassing kan IE3 ook de minimale eis zijn.
- IE4 – Super Premium Efficiency: hogere rendementsklasse dan IE3, met lagere verliezen bij vergelijkbare motoren en bedrijfsomstandigheden. Interessant bij veel draaiuren of wanneer regelgeving/toepassing een hogere klasse vraagt.
Het verschil is goed te zien in de rendementscijfers. Een voorbeeld uit de ISG-catalogus bij een 4-polige 11 kW gietijzeren motor: IE3 haalt circa 91,7% rendement, terwijl IE4 op circa 93,3% uitkomt. Bij veel draaiuren kan dit verschil merkbaar invloed hebben op het energieverbruik over de levensduur.
Let op
Een zuinigere motor verdient zichzelf vooral terug bij veel draaiuren. Voor een machine die slechts af en toe draait weegt het rendementsverschil minder zwaar dan de aanschafprijs.
Framemaat & behuizing
De framemaat (bijvoorbeeld 80, 132, 200) verwijst bij IEC-voetmotoren naar de ashoogte in millimeters, gemeten vanaf het montagevlak/voetvlak tot het hart van de as. Veel basis-inbouwmaten zijn gestandaardiseerd, maar uitvoering, bouwvorm en lengtevariant kunnen per serie verschillen. Controleer daarom bij vervanging altijd de afmetingentabel.
- Aluminium (LWA): lichtgewicht behuizing, vermogensbereik circa 0,06 kW tot 37 kW, framematen 56 tot 200.
- Gietijzer (LW): robuuste, zwaardere behuizing, vermogensbereik circa 0,55 kW tot 630 kW, framematen 80 tot 400.
Binnen een framemaat bestaan vaak varianten (bijvoorbeeld 132 S en 132 M) die in lengte verschillen en daarmee in vermogen. De exacte inbouwmaten per bouwvorm (B3, B5, B14) staan in de afmetingentabellen.
Het juiste vermogen kiezen
Bij het selecteren van een motor loop je in grote lijnen deze stappen door:
- Bepaal het benodigde vermogen (kW) van de toepassing, met een redelijke marge zodat de motor niet continu op zijn maximum draait.
- Kies het gewenste toerental en daarmee het aantal polen (bijvoorbeeld 2-, 4-, 6- of 8-polig, afhankelijk van beschikbaarheid en toepassing).
- Bepaal de bouwvorm (B3, B5 of B14) op basis van hoe de motor wordt bevestigd.
- Kies de IE-klasse: IE4 bij veel draaiuren voor lagere energiekosten, IE3 als standaardkeuze.
- Kies tussen aluminium en gietijzer op basis van vermogen, gewicht en de omgeving waarin de motor draait.
- Controleer de framemaat en asdiameter zodat de motor in je constructie past en aansluit op de aandrijving.
Tip
Vervang je een bestaande motor? Noteer dan de gegevens van het typeplaatje (vermogen, toerental, framemaat, bouwvorm, spanning) en geef ze door. Zo vinden wij snel een passende vervanger.
Tips & veelgemaakte fouten
- Kies een motor niet te ruim: een fors overgedimensioneerde motor draait minder efficiënt en kost onnodig meer.
- Let op de spanning en frequentie van je net; controleer of de schakeling (ster/driehoek) past bij je voeding.
- Bij hoge omgevingstemperaturen of frequentieregeling (VFD) kan derating, extra koeling of een geschikte VFD-uitvoering nodig zijn; controleer hiervoor de motordata en toepassing.
- Houd rekening met het aanloopgedrag: een hoge aanloopstroom en het koppelverloop zijn belangrijk bij zware starts.
- Controleer de beschermingsgraad (IP) tegen de omgeving: IP55 is gangbaar voor veel industriële motoren, maar bij buitenopstelling, veel water, reiniging of zware stofbelasting kan een hogere of specifiek geschikte uitvoering nodig zijn.
- Twijfel je over de juiste motor? Geef vermogen, toerental, bouwvorm, spanning, omgeving en toepassing door; dan kunnen wij gericht meedenken over een passende uitvoering.